BRUGGEN NAAR GEBROEZE

Griotshitenge | Didi de Paris | Kommil Foo | Trespassers W | Het Kapersnest | datapanik.org
En ook: De Vertelf | Ben Sluijs


GRIOTSHITENGE
De in het oerwoud geboren Belgische Kongolees, Griotshitenge, schenkt in de orale traditie, met Afrikaanse instrumenten en met bezwerende gezangen, nieuw leven aan een Afrika waarin de dieren spreken en de mens in bewondering de natuur gadeslaat.
Griotshitenge werd geboren in het oerwoud. Hij was er als kind getuige van de vele aspecten van het dagelijks leven. Activiteiten zoals water halen, hout zoeken en de oogst van champignons werden er door zang begeleid. Ook tal van rituelen inspireerden hem tot muziek maken. Wat hem vooral is bijgebleven is het wederzijds respect van zijn stam voor de natuur. Voorwaar, door zijn woorden en zijn klanken wordt het vertelde zichtbaar!
www.griotshitenge.be

DIDI DE PARIS
La Commune "de Paris".
Nadere bespreking volgt ...
didideparis.wordpress.com

KOMMIL FOO
Een zwerver leed een onopgemerkt bestaan. Hij meed het juk van de arbeid, wilde zijn gedachten niet met beslommeringen bemorsen en wou zijn wandel niet door verplichtingen laten belemmeren. De vagebond hield het hoofd ledig en in de ledigheid zocht de mijmering haar woonst. De doler vond in haar zijn gezellin en zijn geluk. De mijmering leerde hem tenslotte luisteren naar de wind die speelde in trillende bladeren, ze maakte van hem een aanbidder van de glimmende ijsgewaden van de vorst en ze blies hem onder de besterde hemel dromen in. De verliefde dromer bleef de mijmering trouw en zij baarde hem woorden die opgroeiden tot verzen, fabels en sprookjes. Overrompeld door de vreugden die zijn kroost hem schonk, vergat de gelukkige de tijd en het tijdperk waarin hij leefde. De mijmeraar zou door de vergetelheid verslonden zijn, ware het niet dat hij op een bergpad een door twee paarden getrokken theaterkar kruiste. Het opschrift 'Kommil Foo' sierde de zijpanelen van de koets en twee keuvelende kerels zaten vooraan op de bok. Ze kregen de zingende dwaler in de gaten en ze hielden halt voor de naamloze die geschrokken zijn gezang staakte.
De grootste en de oudste van het tweetal verhief de stem en hij sprak: "Ik ben Raf" en terwijl hij de ander in de zij pookte, vervolgde hij: "En dit is mijn broeder Mich."
Mich trekkebekte, waarbij de weelde van het menselijk voelen aan zijn wisselende gelaatsuitdrukkingen ontsproot. Zijn grote broer nam een gitaar ter hand en al tokkelend ontpopte hij tot een minstreel die in een lach en in een traan de aardse en de hemelse liefde openbaarde.
Plotsklaps beŽindigden de broers het speels spel en zich tot hun bewonderaar wendend, vroeg Raf: "Heer landloper, wie zijt gij en wat zoekt gij in deze verlaten oorden?" De zwerver groef in zijn geheugen, maar hij vond zijn naam niet. Gelukkig kwam hem dť reddende Ridder der Dolenden voor de geest en hij kreet: "Don".
"En verder?", polste Raf. Don sloeg rood uit, maar zijn muze schoot hem bijtijds te binnen. Op zijn hakkelende liefdesverklaringen had zij hem ooit geantwoord: "Gij zijt een Fabulist.", en de opgeluchte zwerver ontviel: "Fabulist, ik ben Don Fabulist."
"Don Fabulist!", schaterden de broers, "en wat spookt gij in uw zwerfgangen zoal uit?"
"Ik brouw verzen en vertelsels en ik schenk ze zingend en verhalend aan de bossen, de velden en de wind.", sputterde Don.
"Zet ze voor ons dan ook eens op zang", vroeg de gozer die de snaren reeds beroerde.
Don Fabulist sloeg aan het zingen. Hij zong luider en luider om het wonderlijk gitaarspel te overstemmen. Het gonsde rondom door het kraken en raspen van zijn eigen stem. Met suizende oren viel de zanger stil, hij liet het hoofd hangen en hij zonk in de grond. Doch, de gebroeders trokken hem er weer uit met lofprijzingen over de rauwe vagebondenblues. De vagebond zwol en toen ze hem om een verhaaltje verzochten, verloor Don Fabulist zich in een verhaal over een zeepaard dat als een heerser over oceanen door een zeewier meegetroond werd.
De vertelling deinde uit en Raf juichte: "Don, we zullen uw zingezang en uw verzinsels met ons meedragen. Ontwaren we op onze tochten een zwerveling, dan gieten we ze in zijn luisterlappen ..." Mich trok een koddig smoeltje, Raf klakte met de zweep en de kar van Kommil Foo denderde de helling af.
Don Fabulist zweefde de bergwegel naar omhoog. Op de bergtop aangekomen gleed zijn dromend oog over een zee van boomkruinen, waarachter een rode zon onder de kim gleed. De dwaler verbeeldde zich een koning van woeste woudlanden te zijn. De nacht ging in een roes aan hem voorbij. Het zonlicht begroette de nieuwe dag en op een bospad bespeurde de zwerver drie Kapers in Piratenpak. Een klein meisje uit Het Kapersnest trok een zwaard en Don zakte van schrik op de knieŽn. "Wie zijt gij?", bulderden de Kapers. "Mijn naam is Don Fabulist", stamelde de bevende zwerver.
"Welaan dan, Don", suste hem het meisje met het zwaard, "tijdens het vagebonderen offreerde ons een theatergebroeze uw verhaal en ... zet u op ťťn knie alstublieft ... wij hebben u gezocht om u tot Ridder der Vagebonden te slagen." De sidderende vagebond boog het hoofd, het zwaard streelde meermaals zijn beide schouders en nadat ze hem met troubadourgezangen gehuldigd hadden, gingen de Kapers huns weegs. De Ridder vervolgde welgemutst en manhaftig de zijne.als Don Fabulist, de Ridder der Vagebonden.
Wie Don Fabulist werkelijk was of worden zou wisten weinigen. Zeker was dat Kommil Foo zijn naam tot leven wekte. De wandel van de Ridder der Vagebonden konden verder enkel muzen, theaterbengels, Kapers, Hermetische Gezelschappen en rabauwen kennen ... Zij gaven immers met hun grandige scheppingen gestalte aan zijn bestaan. "En de zwerver die de naam Don Fabulist, Ridder der Vagebonden, torst?", zult ge peinzen. Wel, hij daalde dieper en dieper in de ledigheid af om op de bodem ervan te speuren naar woorden waarmee hij zijn scheppers eren kon.
www.kommilfoo.be

TRESPASSERS W
Don Fabulist zag de mensen als bezige mieren bezig. Hij vroeg de drukdoeners naar het doel van hun doening en hij kreeg als weerwoord: "We moeten werken om te werken, we moeten groeien om te groeien, we moeten rijk zijn om rijk te zijn en we moeten gezien worden om gezien te worden." Over de reden van hun streven wist het strevende volk enkel te vertellen: "Omdat iedereen het doet." De vragensteller zag zijn geest vertroebelen en zijn denken verbleken. Als de weerlicht ontvluchtte Don de wereld die hem vergrauwd voorkwam en hij zocht kleur in de afzondering. Alhoewel de ledigheid zijn gedachten weer een blos gaf, werd de afgezonderde na een wijlen bedrukt door het ontbreken van een mensenstem die sprankelde als het fluiten van de vogels. Toen hij op een dag daarover piekerde daalde een postdragende duif naast hem neer en nadat Don Fabulist de boodschap van de boodschapster in ontvangst nam, vloog de vliegster Noordwaarts. De gelukkige ontstrikte de voor hem liggende doos en daarin ontdekte hij in schrijfsels en in muziek de wonderwereld van de dichter en wijsgeer Cor Gout.
Cor Gout vond in de gevestigde economieŽn en wetenshappen slechts de dofheid en hij keilde de pij van machtsgeile geleerdheid over de haag. Dwalend zocht de afvallige naar een weten dat in schoonheid glom en hij vond haar tussen de raakvlakken van de verguisde kunsten. In het ongeziene smedend, schiep Cor Gout uit verzen, theater en composities een rijk van een andere realiteit; een verbeeldingsvol land waarin dolende ridders het gemoed konden laven. Don Fabulist opende de muziekdoos van Cors band Trespassersw en op magistrale klanken gleed hij in de duisternis van onderaardse gewelven en steeg hij naar de fonkeling van besterde hemelen. Op dreunende dreigende tonen zonk hij in de droesem van het bestaan en door Cor Gouts gezangen werd hij onthecht opgetild naar lyrische sferen. In de roes van het klankenspel kreeg het onwerkelijke werkelijkheid en wat niet gezien mocht worden werd gezien. Alle zintuigen van Don kregen een prikkel en met een vederlichte hand veegde hij een traan weg, terwijl de zwarte muzikale roos van Trespassersw voor hem geurde in velerlei geuren.
Bedwelmd ontsloot de verwende de boeken van Cor Gout en de letters loodsten hem naar stranden waar de Noordzee ruiste en de vuurtoren als een licht van herkenning in de vervreemding scheen. De vervreemde doorkruiste het Van Stolkpark waarin beklijvende sferen van kustkastelen en parken getuigenissen aflegden van het Derde Rijk. Dons houtvuur flakkerde tegen de inktzwarte boswand die als op het doek van een film beelden van op de Den Haagse tarmac flanerende barmeisjes flitste ...
Don Fabulist sloot voor even Cors boeken en hij vertrouwde de muziek van Trespassersw een moment aan de stilte toe. Het drong tot hem door dat een kleurrijke stem niet in de menigte gezocht moest worden, maar dat ze met verbeelding sprak van enkeling tot enkeling.
Op de gestalten die Cor Gout niet aflatend schept hebben de warenwereld en de machtsbastions geen vat. Zijn scheppingen laten zich niet muilkorven door de vervlakkende wetenschappen van macht en door het in gemiddelden denken van de media. Niet gekooid door de algemene mening geeft hij zijn kunsten vrije vleugels en vroeg of laat strijken zijn schepselen als een vertroosting neer op het ongeijkte pad van naar schoonheid hunkerende dolers.
www.trespassersw.nl

HET KAPERSNEST
Don Fabulist kwam van verre landen en hij voer overzees huiswaarts. Het leek hem of hij reeds levenslang over het eindeloos deinend watervlak dobberde. Op een nevelige ochtend ontwaarde hij een door zee omkranst land en daarop wapperde een kapersvlag. De reiziger trotseerde de rond het eiland bruisende branding en hij meerde langs de boorden van het kapersnest aan. Hij wipte uit zijn waggelend bootje en achter de rotsige eilandzoom hoorde hij wonderlijke verzen opstijgen. De golvingen ervan evenaarden de edelste merelzangen en Don klauterde gehaast de kliffen op. Boven aangekomen kroop hij snel onder een struik en hij gluurde door de bladeren. Een nakende nies kriebelde en Don kneep de neusgaten uit alle macht dicht. Rond hem waarde immers geen stemgeluid meer en voor hem troonde een piraat in narrengewaad. De struikligger hees de blikken opwaarts en hij dook ineen, omdat zijn kijkers onverwacht in zeeroversogen priemden. Een zwarte wolk wolkte voorbij en daarvoor werd een rood-wit vaandel ontrold. "Haha," riep de zeeschelm en hij maakte zich kenbaar met "Peter Holvoet-Hanssen, H.-H."
Don Fabulist slikte en de aarde schudde, want H.-H. danste met trommelende voeten een 'danse macabre'. Een vleermuis fladderde in de rondte en H.-H. klapte een vuurlossend boek open. Uit de piratenmond vlamde een woordengloed en uit de taalalchemie ontsproot een opdoemend en wegtrekkend figurentheater.
Rond een dolende soldaat vielen de vogelzangen bruusk stil en de geweerdrager bekeek het gaatje in zijn jas. De grond verslond de strijder en over de doodse vlakte trotte een troubadour met middeleeuwse liederen in het ritme van de toekomst. De zanger zonk achter de einder en een naderende wreedaard sleepte een stervende door het stof. De beul smakte de bewegingsloze neer en op het altaar van een gefolterd lichaam huwde hij vrouwe Eenzaamheid. De gehuwden ruimden grijnzend het veld en een tranende dichter bewandelde de rode loper. De schoonheidszoeker sprak van wonderen en hij zocht zijn muze op de plaatsen waar ze niet zijn kon. De getergde woordgoochelaar zakte weg in het groene deken en uit de wuivende grashalmen stond een verlopen kermisartiest op. De foorkunstenaar penseelde met sierlijke handbewegingen zijn fantasmagorieŽn in het dak zonder pannen en boven hem zweefde een lichtgelovige monnik naar zijn heiligverklaring ... Naast het struikgewas spinde een kat en met een veelbetekenende wenk richtte ze de aandacht op de tovenaar. De toveraar naderde en hij hield een spiegel voor. In een oogopslag verbrokkelde Don in het spiegelglas en nadat hij zich weer bijeengerakeld had, zag hij als een anders ziende. Het woord dat de hel hemels tooide, was de parel die de wonderdoener uit de donkerste levenskuilen had opgediept. Bloemen van schoonheid ontbloeiden uit het zaad van het kwaad en de magiŽr glimlachte. Doch, zonder een woordje te wisselen vertrok hij van "Rimbombo rimbom" met troubadourgezangen in zwerversgangen. De verweesde Don speurde hem na langs de rotswand boven de zee en zijn rollende oogbollen stokten bij een klif waarop een zwartgelokte vrouw zetelde. Ze droeg gelijk geen leeftijd en met de doordringendheid van een kapiteine schouwde ze over het schuimende water. De golven stonden steil en ze loeiden haar aan met "NoŽlla Elpers". Onbewogen sloeg de kapiteine het onder haar slaande geweld gade. Na een wijlen door gedachten zeilen gaf de beweging van haar lippen echter de geboorte aan een verhaal. Het geruis van golven viel stil, de wind ging liggen en het gras hield op te kruiven. Enkel een papegaaiduiker draaide het kleurig kopje mee op de heffingen van haar zich luider heffende stem. Orakels vulden het ruim, woorden werden beelden en Don merkte hoe de kapiteine in een broeiende zangspraak aarde, water, vuur en lucht hersmolt. De uitdrukking van het landschap werd desolaat en Dons geest veranderde in een nooit bedroppeld sneeuwveld. Het sneeuwde en jeugddromen vlokten met de vlokken voor hem neder. De dromer rolde zijn jeugddromen in een balletje en hij liet ze bij zijn hart smelten. Versmolten met zijn jonge jaren schepte Don Fabulist moed om de reisweg aan te vatten.
Op kousenvoeten tippelde hij langs het gesteente neerwaarts, wipte in zijn badderik, sloeg de spanen uit en roeide de lange vaart. Wonderwel stevende hij recht naar zijn kluis. Daar zakte de aangekomene in zijn grote leunstoel voor het raam met zicht op een zee van tijd. Mijmeringen vergezelden hem en ze herschiepen in zijn dromen de roep van afscheid die NoŽlla over de wateren riep: "Echte reizen maak je in je hoofd."
www.kapersnest.be

DATAPANIK.ORG
Een natuurtoerist vertelde eens over de Permanent Gecontroleerde Zone en hij bracht het spookbeeld van een alziend oog tot leven. "De stadsbewoners", zo zei de natuurvoyeur, "gedragen zich alleen al bij het idee om door het oog gezien te worden binnen de voor hen uitgetikte lijnen." Don had goed geluisterd, maar hij verstond er niet veel van. Op een goede dag trok hij dan ook zijn beste dierenvel aan, stak wat verhalen op zak en toog ermee naar de stad. De stadspoort was nauwelijks achtergelaten of de weg was hem reeds loos. De verdwaalde wilde op zijn schreden weerkeren en hoe meer hij stapte, hoe verder de cirkelgang ging. Na de laatavondfilm gingen de mensen slapen en voor het werk werden ze door de wekker gewekt. De dwaler Don verloor echter het onderscheid tussen dag en nacht. In het duister blaakte immers het licht en walmen verduisterden het schijnsel van de dag.
Aan de stenen vlaktes en aan de slurven van tarmac leek geen einde te komen. Don Fabulist staakte zijn stappen en hij dacht: "Wie niet zoekt die vindt." In de winkelstraat voor hem krioelde het van volk en in zijn geest verscheen zijn zending: een verhaaltje vertellen. De verhaler schreed een paar schreden voorwaarts, doch eens hij zijn stembanden liet trillen, ijlden de verschrikte koopjesjagers van hem weg. In plaats van naar een vertelsel te luisteren, kluisterde het winkelstraatvolk de oren aan boodschappen verkopende luidsprekers of het kleefde met de bakovens tegen de uitstalvensters. Er gluurde wel eens iemand met de ondeugendheid achter de ramen om zich heen. Werd hij echter een bewegende straatcamera gewaar, dan vervoegde hij gewillig de kooplustige stroom. Plots dook een buitensporige ploeg uit de massa op en ze ontplooide voor een cameraoog een straattheater voor de onzichtbare gluurders van de orde. De verteller peinsde zijn gehoor gevonden te hebben. Toen hij naderde loste het gezelschap echter in lucht op. De vereenzaamde drentelde van de drukte weg en in een vergeten pand legde hij zich onder zijn slaapfrak. Hij zakte in een woelige slaap, waaruit hij pardoes recht veerde. Chaotische geruchten ketsten tussen de muren en dub klanken drongen door de gangen. De ontwaakte zag bonte lui door de ruimten hotsen. Sommige van die lieden klikten computers open om in virtuele letterruimtes te kruipen en anderen maakten met vreemde geluiden een muziek van de roes. Een vrijelijk lachende gozer bracht de wakker liggende een zwerfmatras en hij stelde zich voor als Datapijn. "Datapijn?", sputterde Don, "Datapijn stapt gelijk wel vrolijk door het leven."
"O, jawel, de zielen van Datapijn hebben het juk van dogma en Groot Verhaal afgeworpen. Daardoor schenkt elk ogenblik de geboorte aan een vers levensvuur en daarin flakkert de ironie in een poŽtische gloed. Met onze spotangeltjes wrikken wij in de wankele plekjes van het imperium dat het mensdom ketent in de kooien van arbeid en spektakel. Het hermetisch gezelschap Datapijn bezingt de lof der onzichtbaarheid en het verdwijnt voordat het herkenbaar en daardoor pakbaar is. De barsten waarin we onverwacht en tijdelijk opduiken, dopen we om tot Tijdelijke Autonome Zones en aldaar is het verbeelden ontdaan van opgelegde wetten. Omdat de verbeelding het verzwegen denken bevrijdt en omdat ze een atlas tekent van andere mogelijke werelden, is ze een macht die kapitaalsdictaturen kan doen wankelen. Om de kritiek van nieuwe bewegingen uit te vagen, slorpt de spons van het geld hen echter op en dat is een reden waarom we ons door transformaties onvatbaar maken. Datapijn maakt de versteende machtstaal vloeiend en het sijpelt in de gangbare informatiekanalen. Met enkele letteringrepen verwringen we de zin van een zin en straks bazuint door de koopjesstraten geen "de laatste mode looft uw neus", maar "de laatste mode rooft uw neus. Subiet schalt op de werkvloer geen "Arbeid is een veilige haven", doch "Arbeid is een veilig slaven."
Daar we muteren en niet in verkoopscijfers uit te drukken zijn, ontglippen we immer de grijpelingen van de koningen van de commercie. Zij lusten ons rauw. Tenslotte verzendt Datapijn geen antwoord, want die dient gemaakt door wie onze boodschap ontvangt. Zelfs op de vraag waar de bestemming morgen ligt, tasten wij in het duister. We herbergen de vraag en zodus is de reis onze bestemming. Bij Datapijns woorden zonk Don in de gelukzalige dromen. Bij zijn ontwaken vond hij het bouwsel leeg en naast de zwerfmatras lag een handgeschreven brief. Daarop stond dat Datapijn in het virtuele rijk de autonome site www.donfabulist.be geschapen had. O, lezer, dank aan Datapijn mocht en moogt gij op het computerscherm een blik werpen in het vreemde universum van Don Fabulist ... Een klapperdeur klapte open en klabakken stormden toe op Don, die met een blije grijns de ochtendogen uitwreef. Ze aasden met korte stemstoten naar Datapijn, die rare geruchten in de stad verspreidde. Don bleef van de domme geslagen zitten en ze lieten hem dan maar uitwaarts tenen. Ongericht vond hij de uitgang bij de stadsingang en hij besteeg de helling naar zijn heuveltop. Boven aangekomen keek de thuisgekomene naar de fonkelende lichtjes beneden en hij vezelde: "Terroristen zijn godin gabbers."
www.datapanik.org